De techniek van het vergulden met bladgoud is al duizenden jaren oud: de Egyptenaren sierden de graven van de farao's op met verguld meubilair. Het goud werd met hamers tot dunne velletjes geslagen. En geloof het of niet: ook tegenwoordig wordt bladgoud nog voor een groot deel met de hand geslagen. De eerste fasen van het produktieproces zijn weliswaar machinaal, maar uiteindelijk worden er pakken van duizend vel tegelijk met hamers van 8 tot 10 kilo uitgeslagen totdat de velletjes 1/10.000 mm dik zijn.

Het verwerken van bladgoud is ook een apart verhaal. Omdat de velletjes zo dun zijn, kun je ze niet met de hand beetpakken. Er is speciaal verguldgereedschap voor nodig om het goud op het te vergulden object aan te brengen.

 

Bladgoud

Bladgoud is een heel dun velletje goud. Het is over het algemeen gelegeerd met één of meerdere andere metalen, bijvoorbeeld titanium, zilver en/of koper. De legering bepaalt mede de kleur van het bladgoud. Bladgoud wordt heden ten dage nog steeds grotendeels met de hand geslagen: nadat het machinaal uitgerold is tot een héél dunne folie, wordt het in pakketten van 1000 vel met grote hamers vele uren geslagen totdat het bladgoud ongeveer een tienduizendste mm dik is.

Olievergulding
Bij een olievergulding is de hechting van het bladgoud gebaseerd op lijnolie. De lijnolie wordt versterkt met harsen en siccatief en heet dan mixtion. De mixtion wordt heel dun op een niet-poreuze ondergrond (bijvoorbeeld lak, vernis of verf) aangebracht, wanneer de mixtion bijna helemaal droog is worden de velletjes bladgoud er op gelegd. Een olievergulding heeft meestal een matte uitstraling. Vanwege de hoge doorzaamheid van lijnolie, en de resistentie tegen vocht, kan deze vergulding ook buiten toegepast worden. Lijnolie is niet bestand tegen de meeste chemicaliën, daar moet bij een restauratie, bijvoorbeeld bij het verwijderen van latere overschilderingen, rekening mee worden gehouden.

Polimentvergulding
Dit is een hoogglanzende vergulding die bij lijsten vaak (plaatselijk) wordt toegepast om een rijkere schakering van matte en glanzende delen te verkrijgen. Het is een zeer bewerkelijke techniek, omdat de ondergrond uit meerdere lagen bestaat, en deze wijze van vergulden ook een nabewerking vereist:

De -in de meeste gevallen- houten ondergrond wordt voorzien van 5 tot 7 lagen krijtgrondering. Dit is een mengsel van krijt en hazenlijm, die een zachte en gladde basis vormt. Hierover gaan 4 tot 6 lagen bolus: dit is een vettige, natuurlijke pasta op basis van klei, gebonden met een zachte en flexibele lijm, bijvoorbeeld hazenlijm, gelatine of perkamentlijm. De bolus (gebonden in lijm noemt men het poliment) is over het algemeen rood, bruin of zwart van kleur, en zal uiteindelijk mede de kleur en uitstraling van de vergulding bepalen. Wanneer de laatste laag glad geslepen is met zeer fijn schuurpapier, wordt ze stukje bij beetje nat gemaakt met een netze. Deze is samengesteld uit water en alcohol, met toevoeging van een heel klein beetje lijm. Op deze natte laag wordt het bladgoud neergelegd. Na droging, maar in ieder geval nog dezelfde dag, wordt het bladgoud gepolijst (of gebruneerd) met een speciaal hiervoor gevormde agaatsteen. Door dit polijsten wordt de deeltjes van de zachte bolus in elkaar gedrukt, waardoor een glad oppervlak ontstaat. Het bladgoud neemt de glans van de ondergrond aan.

Alle lagen van een polimentvergulding zijn gebonden met dierlijke lijm, en daarom oplosbaar in water. Deze vergulding wordt dan ook wel een watervergulding genoemd. Bij de restauratie, maar ook bij het routinematig reinigen van een polimentvergulding, moet er rekening mee worden gehouden dat deze afwerking niet tegen vocht kan. Omdat de ondergrond zacht is, moet er ook niet hard op gepoetst worden.

Imitatietechnieken
In de loop der tijd is vaak geprobeerd om het kostbare bladgoud te vervangen door goedkopere materialen. Bladkoper, brons, en gevernist zilver zijn voorbeelden van dergelijke imitaties. De speciale warme uitstraling van bladgoud is echter nooit door een ander materiaal geëvenaard.